NEWS, INFO & CONTACT

CORONA TIME we'll wait and see what will happen.

NB in december 2021 there will be an exhibition of discours group 1, more info will follow

WORK: Of course I could (or should) write about my work here, about the why and the how and the possible meaning. Sometimes I produce some sentences, mostly when my work is changing.

In 2000, I officially became an artist. At the time I painted mostly scenery: wild, cultivated, deserted or destroyed. Sometimes the space was populated, sometimes it disappeared behind my characters, often it was empty of human and animal life. I still like these subjects, I often need them and they are important as carriers of meaning. Yet they're always less important than paint, pencils and other materials I use and experiment with, less important than the many different ways in which lines and color fields interact and can be put on paper or linen.
In 2007 my work changed a lot. I quit painting and started drawing gardens after nature. I also started series of small drawings, exploring the possibilities of simple materials - mostly- to regain freedom. Gradually I got back to basics: to black and white, structure & construction, texture & space & scenery. I perceived this change as a new beginning. It was like spring, like cleaning my house. This process of clearing the ground is still going on. In 2009 I made hundreds of photographs to use for cutting and pasting, to generate new ideas and inspiration. The magic word for organizing this new material was 'autobiography'. I expected this theme was -and will always be- on the background of my images, secretly or visibly influencing all other work, may it be collage, drawing or painting.
Although my drawings still are the most important part of my work, in 2013 I started painting again. Variations&transformations reacting to a visual theme. At first six simple drawings of trees. In 2014 the the subject was more abstract: empty space surrounded by different kinds of life, creating different 'worlds' in each painting. Since then the theme often has changed. The last years I was experimenting with combining drawings, existing and/or new ones, in changing tableaus. It's quite interesting to see how the drawings keep changing, also in their signficance, by changing place in a group or by changing groups.

Slowly I'm accepting that in my art everything is possible. In my earlier -before the arts- life I never concentrated on one subject or one kind of work. This may not happen in my artwork either. Actually my scope keeps broadening. Look at my work and you'll see.

The texts below may contribute to the understanding of my work.

  • The last one was kindly offered me in 2014 by Michael van Hoogenhuyze who was teaching me from 1998 - 2000 at the Royal Academy in the Hague, he used it for his OPENING SPEECH AT MY 2014 SOLO In the ARIANA gallery in the Hague.

  • The first one is written by Ad Teulings, my partner of 45 years. It was the base for his OPENING SPEECH at my 2016 SOLO in the ARIANA gallery in the Hague. I give the long version, because I love his associative, but well informed, way of writing and so it became a way of honouring and remembering him, as he died in the summer of 2019. Actually he had planned to rewrite this text as he thought it too bombastic. But I don't mind because I see his style as ironic.

AD TEULINGS, LOUKIE'S KUNSTEN, een inleiding

Il est temps de proclamer vaine toute oeuvre qui laisse son auteur intact, et le lecteur à son confort. Vaine et mauvaise toute oeuvre qui ne te saisit pas comme avec une main, qui ne te pousse pas hors de toi-même, dans le scandale ou dans la joie de ta vocation créatrice. Guy de Maupassant, Penser avec les mains.

De Zevende Dag

Mijn werkkamer is naast die van Loukie. Ik doe mijn Mac, zij tekent. Zo zijn onze manieren. Af en toe loop ik over. Haar royale werktafel is te klein om zicht te geven op al het werk in uitvoering. Ze werkt in vierkwartsmaat. Meestal op papier. Boven op ladekasten stapelen de vierkanten zich op tot kleine kasteeltorens. Dat werk draagt het stempel af. Vierkanten, lange tijd Unvollendete vierkanten hangen verspreid over de kamermuren. Daar moet elke dag keurend naar gekeken worden. Maar veel werk ligt nog – als in barensnood – hulpbehoevend op de grond. Gegroepeerd in carré’s. Vier bij vier, zes bij zes. Hun plaats in de groep is voorbestemd. Wat die bestemming is, moet blijken. Dat vereist nader onderzoek. By trial and error. Eén verplaatsing, en alles komt in beweging. Een dynamisch evenwicht. Kijken en nog eens kijken. Tot het moment van de waarheid. Een compositie. Als Openbaring.

Maar wat is het dat hier geopenbaard wordt? Is dat een begrip van de buitenwereld? Of komt het uit de binnenwereld, beknelde zuurstof die zich vanuit de onderbuik een weg heeft gebaand naar de oppervlakte? Beroep op het verstand lijkt al gauw een misverstand. Er valt geen vooropgestelde logische of conceptuele samenhang te ontdekken. Ook niet achteraf. En wat uit de onderbuik komt, dat blijft toch altijd een troebele zaak. Wat overblijft is een gevoel dat er tussen die beeldelementen geheimnisvolle relaties bestaan, maar dat die erkenning er niet toe moet leiden die daadwerkelijk bloot te willen leggen.

Het geheim is een onlosmakelijk deel van de volle waarheid. We zijn niet op expeditie met de vraag of er op Mars ook leven bestaat, leven zoals wij dat kennen. Ik vind het aardig, zelfs gepast om al dit gedoe een onderzoek naar de ziel van een schepping te noemen. Wat, terzijde, heel iets anders is dan de ziel van de maker. En zeker iets anders dan de ziel van de kijker.

Het brengt mij, in dit jubeljaar, bij de complexe beeldcomposities van Hieronymus Bosch. Met al die zielen zoals mensen in de Middeleeuwen zich die voorstelden. Een wereld zonder dode zielen. Alleen maar dolende zielen, voorgoed gescheiden van de gestorvenen, die als vage flarden en nevels uit hun graf opstijgen. Zwervend tussen hemel en aarde, een voorgeborchte, in afwachting van hun verlossing en een toegang aan de hemelpoort. Dat kan mensenlevens duren. Tot het moment daar is, nestelen zij zich, en passant, in de gedachten van de levenden, in hun daden, hun hechtingen.

Flarden en nevels, die vinden we in dit werk van Loukie te over. Maar, ik wil daarover geen misverstand, zielen hebben zich ook genesteld in haar kunstwerken. We kunnen als kijker die beelden alleen in ons opnemen als we de mogelijkheid van een zielsverhuizing op de koop toe nemen.

Los van dit alles zijn daar die merkwaardige miniaturen zelf. Ook te bezien in onbevangenheid. Elk voor zich het bekijken waard. Ik ga het werk van Loukie niet inhoudelijk duiden. Ik heb tot dusver ook angstvallig vermeden haar daarnaar te vragen. Het is prachtig om naar te kijken. Mooi ook in penvoering, in handschrift, in vormenrijkdom, in uitdrukkingskracht. Een spannend schouwspel, waarom zou ik daar verder nog woorden aan toevoegen? En in deze alinea ligt zo ongeveer alles besloten wat er over dit werkstuk, en over elk ander werkstuk dat hier hangt gezegd moet worden. Als ik verstandig was zou ik op dit punt gekomen moeten besluiten met: Loukie Fecit. En: ik heb gezegd. Of, als Facebookers onder elkaar: Thumps Up.

Ik ben onverstandig. Het werk van Loukie roept veel bijgedachten op en een paar daarvan kan ik aan U voorleggen. Ik ben dol op bijgedachten, en, eerlijk is eerlijk, zeker op die van mijzelf. Want, zo luidt mijn wereldfilosofie, alles hangt met alles samen. Een goede, en minder egocentrische reden is ook, dat het werk van Loukie er duidelijk om vraagt. Het is stap voor stap ontstaan, of meer nog, zoals bedevaartgangers dat plegen te doen, twee stappen voorwaarts, een stap achterwaarts. Een oeroude beweging. De hersenen herkennen dat. Het leidt tot meditatie. Haar werkwijze vraagt tijd. Aandacht. Stilstaan en kijken wat er uit je handen is gekomen. Kijken is een vorm van luisteren. Kijken is zeker ook de snelheid van denken en handelen vertragen. De kunst van Slow Cooking.

Als ik die werkruimte van Loukie weer eens even binnenloop, lijkt het alsof daar de tijd heeft stilgestaan. Ik zie dat er dingen zijn veranderd. Maar ik weet niet wat. En zeker niet: Is er al iets volbracht, of is het proces nog volop gaande? Zijzelf, als slow motion performer, stelt zich elke dag weer die vraag. Waar sta ik, waar ben ik? Klaar? God de grote schepper had minder geduld. Al op de zevende dag zag Hij dat het goed was. Niet af misschien, maar goed genoeg. Loukie, toch ook niet de minste, heeft daarvoor toch echt een aantal weken nodig. Dat stelt gerust. Want sinds God uit Jorwerd verdween zijn wij van kunstenmakers als Loukie afhankelijk om die schuwe vreemdelingen, in flarden en nevelen gehuld, in ons midden te kunnen opnemen, al is het maar voor een paar nachten.

Stella’s verfblik

Eén dag in de week komt kleindochter Stella (5) op bezoek. Een belangrijk deel daarvan wordt doorgebracht in het atelier van Loukie. Stella schildert. Aan de werktafel staat zij, kaarsrecht, een blikken verfdoos, een kwast, een vel papier. Intense, pigment-rijke kleuren. Schildert zij? Het is beter om te bezien wat zij doet. De kwast gaat in het water, dan stevig in een rond kleurpotje rondgedraaid. Beladen met kleur gaat de kwast naar het blanke papier. Een kleurvak, over een fors deel van de pagina. Een soort van vierkant. De kwast gaat terug in het water en moet schoon. Dat heeft ze geleerd. Een tweede kleur verhuist van potje naar papier. Een vlak ernaast wordt aangepakt. Geen vermenging van kleuren. Niet in de doos, niet op papier. Er is nog wat ruimte voor een derde kleur. Klaar! Dan volgt soms zwart, een laatste ronde. Zwart is van een andere orde. De kwast wordt een pen. Er komen krassen, iets wat misschien op letters lijkt, of wielen, of ramen. Zwart legt een leesbare laag over het schilderwerk. Een hiëroglief, een Runenteken, het begin van een Chinees karakter. Kortom, een literaire toevoeging. Zij zou misschien iets wat lijkt op haar naam kunnen schrijven. Maar die verbinding is nog niet gelegd. Helemaal klaar! Soms zijn we zo dom om haar te vragen: “Wat is dat Stella”. Dan kijkt ze opnieuw naar haar werkstuk. Met andere ogen. Wat is dat? Puttend uit een rijke fantasie volgt een uitleg. Uit het niets. Het is aanleiding om de kwast opnieuw in het verfblik te dopen. Er volgt een toevoeging, een laag die aan haar laatste woorden kracht moet bijzetten. Beeld en taal weten elkaar even te vinden. Taal heeft het laatste woord. Niet als communicatiemiddel. Alleen verstaanbaar voor wie erbij was toen het werd geschreven. Klaar!

Heeft Stella geschilderd? Gegeven dit: (a) Er was geen plan, geen ontwerp, geen doel. (b) Er ontstaat geen afbeelding van een waarneembare werkelijkheid, een buitenwereld - of je zou moeten zweren dat de verfdoos zelf haar voorbeeld is geweest. (c) Er is geen uitbeelding van een innerlijke belevingswereld, een externalisatie, een projectie, een diepere betekenis. (d) Er is misschien iets van schrift ontwikkeld, maar geen handschrift. De kwast is alleen transportmiddel, geen instrument waarmee ook een weelde aan uitdrukkingsmogelijkheden wordt toegevoegd. Een portret van de hand van Rembrandt, die zet geen lijnen zoals de cartograaf zijn hoogtelijnen. Al ken ik veel kunstenaars die hun portretten zo in kaart brengen. Herkenbaar dat wel. Je kunt er mee uit de voeten. Maar dat ongeëvenaarde handschrift van Rembrandt, dat reikt verder, daar in ligt het wezen van zijn portretkunst, daar kun je je in verliezen. (e) Er is bij Stella al wel dat post-production process ontwikkeld, dat intrinsiek deel uit maakt van wat wij schilderen noemen. Als ik weer achter mijn Mac zit komt Stella binnen. “Opa kijk eens wat ik gemaakt heb!” Zo is dat. Zonder expositie geen kunst. Stella laat zien wat zij gemaakt heeft. Hier wordt een identiteit gevormd. Dit ben ik: Stella. Homo faber. Wie niet maakt, die niet wint. (f) “Heb jij dat gemaakt? Wat mooi Stella!”. Even later komt ze terug: “Hij is voor jou Opa!”. Een schenking is een eigendomsoverdracht. Kunst is nu property. Einde van de rit. Vervreemding. Ook als er niet van een geldtransactie sprake is. Liefde is ook goud waard, misschien klatergoud, maar toch.

Verloren onschuld

Loukie’s werk stelt mij opnieuw voor die vraag. Zij schildert. Maar dat zegt niets. Wat doet zij? What does a manager do when he manages? Dat was ooit, lang geleden, de vraag waarmee ik het eerste college van een nieuw studiejaar begon. Gedragswetenschappen. Gedragsobservatie is lange tijd deel van mijn onderzoeksopleiding. Bij het Instituut voor Preventieve Geneeskunde zit ik een paar jaar wekelijks achter een screen op kamerformaat. Aan de andere kant bevindt zich een clubje mensen ter observatie. Een directie. Een redactie. Een actiegroep. Een kamercommissie. Loslopende kunstenaars die iets samen willen. Group Dynamics. Een one way screen. Actoren. Van hun kant zien zij alleen een grote spiegel. Aan mijn kant staat het geluid uit. Ik dicteer op mijn bandrecorder wat ik zie gebeuren. Er is een camera die registreert, maar dat levert veel onbetrouwbare informatie op. Net zoals foto’s. Waarneming van gedrag, dat is mensenwerk. Nonverbaal. Lichaamstaal. Gezichtsexpressie. Die ene wenkbrauw, dat toegeknepen oog. De hand die omhoog gaat maar weer langzaam terugzakt. Scheef zitten. Wegkijken. Blikken wisselen. Na een half jaar screening hoef je niet meer te weten welke woorden er gesproken zijn. De beelden spreken voor zich. Taal? Taal leidt vaak af. Misbaar misbaar. Misbaar. Daar lijkt het de betrokkenen ook vaak ook om te gaan. Onrust in het kippenhok. Bij wijze van spreken dan. Mijn observaties van Loukie als kunstenaar aan het werk. Vanuit mijn tegenwoordige dark room. Je mag mijn binnenwandelen in haar kamer, misschien twee keer per week, wel zo benoemen. Haar schilderproces heeft een traag verloop, de frequentie van mijn observaties is daarmee in overeenstemming.

Loukie, aan de werktafel. Voor haar een leeg vel papier. Een vierkant, quarto, want, denk ik, een vierkant is niet dwingend, daar kun je nog alle kanten mee op. Het blijft nog lang leeg. Er wordt iets van inkt opgebracht, kwaststreken, vormloze vormen. Tweede laag. Een prop keuken- papier dient als stempel, wazige, rafelige afgietsels, structurerend maar opnieuw, niet dwingend. En daaruit beginnen zich langzaam figuren af te scheiden die een menselijke gedaante aannemen. De derde laag. Ook dat zal worden overwoekerd. Er is een begin van populatie die weer snel wordt uiteengerafeld. Lichaamsdelen die niet meer op elkaar aansluiten, elkaar tegenspreken. Een onwerkelijkheid. Geladenheid naast gelatenheid. Gebaren die nog niet zijn gemaakt. In de dagen of weken die volgen, maar vooral de nachten, wordt iets in scène gezet. Een verwachting opgeroepen dat er iets staat te gebeuren. Onheil of ontknoping. De vierde laag. Het lijkt alsof dit ambivalente beeld in de slaap als een film noir werd opgenomen en tenslotte tot deze scène heeft geleid. Een drama. In de still van Loukie staat die roze dame weer centraal. Open en bloot. Hoofd achterover. Zij is met haar hoofd ergens anders. Twee gekluisterde heren. Woede links, Wraak rechts: de hoed of de laars, daar ligt zijn keus. Vertrekken of vertrappen. De roze dame onttrekt zich. Een verdeling van het kwadrant in een kopgedeelte en een buikgedeelte. Bij uitstek een beeldvorm uit de film noir. Voorwaar ook een scène met een psychoanalytische oorsprong. Idiosyncratisch, uit de buik van de maker, en tegelijk universeel, wie heeft hier niet ooit van wakker gelegen? Maar toch, een achteloze toevalstreffer. Een nacht en een droom verder, en het had anders uitgepakt. In deze wereld van driehoeksverhoudingen ligt nog veel meer verstoft en verstopt drama klaar. Gewoon, alledaags, ordinair drama, niet het grote verdriet van kindjes in het ziekenhuis of een vereenzaamd grootje. Dat is in een halve minuut te overzien. Maar deze scène, daar sta je even bij stil. Wat staat hier nog meer te gebeuren? Er dolen geesten in deze ruimte. Goede of boze? Maar dit beeld is nu eenmaal op een of andere manier boven gekomen. Is er een dag eerder iets gebeurd dat hiertoe leidt? Dat is de ideosyncratische interpretatie. Maar het is denk ik dubbelzinniger. Hier is iemand aan de slag die op dit terrein van wanten weet. Die besloten heeft aan deze laag-bij-de-grondse belevingen een hoofdrol te geven in haar schilderwerk. Die geleerd en ervaren heeft dat het volle bewustzijn in onze zolderkamer niet te vertrouwen is en zeker niet zomaar te geloven. Die uitziet naar de nacht, om dan als een dief af te dalen in de krochten van het onderbewuste, dat zich ergens ophoudt ter hoogte van de onderbuik. There’s always trouble inside. Loukie raakte ooit, als cliënt maar ook therapeut, vertrouwd met deze onderwereld. Maar zo’n beeld als dat hiernaast. Is dat haar onderbuik? Of een collage van de wereld die zij is tegengekomen bij haar voormalige cliënten? Of, nog omvattender, een kijkje in het wereldbeeld zoals dat in de denkwereld van psychotherapeuten opgeld doet. Is dit niet gewoon een film noir van de psychoanalyse, het product van een specifieke beroepsopleiding, éen van de modieuze stromingen uit de jaren zestig? De psychoanalyse zelf heeft daarop een antwoord paraat: het is van alledrie wat. Zelfs een therapeut die therapeutiseert kan zich niet losmaken van zijn eigen onderbuikgevoelens. En dus ook de schilder niet die iets van deze woelige wereld tentoon spreidt.

Psychoanalytische werkelijkheid

Ook met deze bedscène is ongetwijfeld een stukje binnenwereld, een beeld uit het onderbewuste boven gekomen. Weggezonken en weer opgehaald. Verwijzing naar een verdronken, mogelijk zelfs verdrongen buitengebeuren. Het is dan een herinnering, getourmenteerd misschien, maar toch, de psychoanalyse wil daarover geen enkel misverstand laten bestaan, een verwijzing naar een gebeurtenis in de werkelijkheid waarbij ook andere actoren waren betrokken. Maar die zich niet noodzakelijk in deze vorm heeft voltrokken. Gelukkig voor mij speelt veel van Loukie’s psychoanalytische periode zich af voor mijn tijd. Ik heb het mij natuurlijk afgevraagd, maar besluit mijzelf in dit drama geen plaats toe te kennen. Al zou mij dat misschien niet misstaan. Maar zeker, voor elke liefhebber van die oude Franse films is deze scène maar al te herkenbaar. Maar het roept bij mij toch weer vragen op, laten we zeggen, dat schept weer wat afstand, kennistheoretische vragen. We zien in de eerste plaats weer een werkwijze, die slow cooking methodiek om een onderste steen boven te halen, die ik hiervoor al heb aangeduid. Samengevat. In den beginne is er de steen, een massaal grijs rotsblok. De grauwheid van het bestaan. Onder de randen kruipen menselijke gedaanten tevoorschijn, als ware het ongedierte. Er verschijn een rozig vrouwtje en een opgewonden mannetje. Achter diens rug verstopt ligt nog iets van een ander vrouwtje, zij is gekleineerd, wat duidelijk maakt dat hier van overspel sprake is. Het parmantige hondje. Hij keert dit alles de rug toe, ogen dicht, neus in de lucht, zijn eer te na, een figurant die ook in enkele andere scènes terugkeert. Een alter ego? Vanwege een herhaald optreden in andere beelden van Loukie kan ook de betekenis van dit honds gedrag worden begrepen. Aan hem wordt de liefde en trouw onthouden waarop hij recht meende te hebben. Eigenlijk beginnen alle figuraties een iconisch gehalte te krijgen. Zoals ook Het rozige vrouwtje.

Group Dynamics. We zijn nog niet rond. Aan het voeteneind duikt weer het echt bozig type op. Woede. Een gezicht zo donker als die grauwe aardkluit. Hij is sowieso aan het oog van de overspeligen onttrokken, en maakt nu definitief rechtsomkeert. Ik denk voor altijd. Rauwheid en gekwetstheid. Alles in een klap. De roze dame, met die brede oversensuele lippen die ons aan aan nog iets anders doen denken - zo zit de wereld van de psycho-analyse nu eenmaal in elkaar - zij is het die de toeschouwer recht in de ogen ziet. Betrapt. Voorziet commentaar van de buitenwacht. Maar Truus, wat doe je nou? Zoals ook de boze man rechtsonder, de sufferd die zich buiten spel plaatst. Hij kijkt niet om, maar neemt de reactie van het publiek in zich op. Ook niet mals. Die twee, Truus en haar sufferd, zo moeten we vaststellen, horen bij elkaar zoals zonde bij straf. De roze dame komen we in deze serie vaker tegen. Het blijkt de hoofdpersoon in een feuilleton. Een strip. Haar rozigheid doorbreekt de allesoverheersende grauwheid van een dode steen.

Mijn evocatie - een oefening in de vrije slag - kost weinig moeite. Ik kan er mee werken. Maar het laat toch nog open welke werkelijkheid hier tenslotte zichtbaar gemaakt wordt.

Rembrandt geeft een van zijn talrijke zelfportretten de titel mee: Zelfportret als Zeuxis. We zien daarop een oude Rembrandt, de fleur is eraf. Hij heeft al een aantal aandoeningen achter de rug die zijn ogen deden verwateren, zijn neus verstompen, zijn huidplooien verslappen. Hij kijkt in de spiegel. Dit is niet meer iemand die zegt: Hé, kijk mij! Hier ben ik! Maar eerder een: Heer, hier ben ik. Er zijn dagen waarop ik mijzelf zo in de spiegel tegenkom. Zeuxis is een beroemde Griekse schilder uit de vijfde eeuw, befaamd om zijn voor die tijd ongekend realisme. Maar dat hield ook in dat hij verplicht was de werkelijkheid, ook de ouderdom, het verval, te schilderen in al zijn lelijkheid, kleinzieligheid en on- smakelijkheid. Mooi is anders. Zoiets wil je niet aan je muur hebben hangen. Zeker niet in de voorkamer. Burkhardt Söll bracht mij in contact met Zeuxis, over wie hij via Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering meer te weten was gekomen. Beeldinterpretaties hebben altijd hun voetsporen. De psychoanalytische therapie gaat een stap verder. Jeugd en overmoed vormen geen vrijbrief. Van een cliënt wordt gevraagd om de confrontatie aan te gaan met alles wat hij als laf, lelijk en smerig tegenkomt in zichzelf. Waardoor je dat verholen duistere deel misschien weer kunt verbinden met dat andere publieke deel dat je aan de buitenwacht hebt voorgespiegeld. Helen. Een Joods-Roomse bezweringsformule eigenlijk. Wat door een therapeut uit de onderbuik kan worden opgevist zijn geen teksten of discussies, maar beelden en scènes. Beeldkunst. De esthetiek van de menselijke wreedheid zoals Herman Nitsch opmerkt. Dat is geen eenvoudige taak. Hij moet uit de beschaafde woorden van een client diens rauwe beelden reconstrueren. Dat lukt nooit helemaal. Alleen stukje bij beetje. Slow cooking, opnieuw. Als de cliënt die moed opbrengt en vertrouwd raakt met de psychoanalytische beeldtaal kan hij op eigen kracht verder. Na een jaar of vijf is die acculturatie meestal bereikt. Kind aan huis. Dat is mogelijk het moment waarop deze lange sessie als een succesvolle exercitie kan worden beëindigd. Maar, is dan ook de volle en complete werkelijkheid aan het licht gebracht? Geheeld? Allerminst denk ik. Acculturatie, zeker. Die toe-eigening van een psychoanalytische denkwijze, een wereldbeeld, voegt een gereedschap toe om met een werkelijkheid sui generis om te gaan en daarbinnen een redelijk, menswaardig leven te leiden. Maar het blijft de productie van een intersubjectieve nieuwe werkelijkheid. Via Loukie's reizen naar de onderbuik krijgen we in elk geval prachtige beelden in de spannende stijl waarop psychoanalytici naar onze wat grauwe wereld kijken.

Ups and Downs.

Het is het jaar van Jeroen Bosch. Hij overleed in 1516, en we herdenken dit als ware het zijn geboortejaar. Hij werd 65 jaar, en hij bevolkte de wereld met monsters, gedrochten, mismaakten, waanzinnigen, duivels, deugnieten. Zij houden zich op in de ruimte tussen hemel en aarde, het gebied waar zich toen ook het voorgeborchte bevindt, de bewaarplaats voor de zielen van alle zondaars - en wie is er nu zonder zonde? Wel te verstaan, al die uiteindelijk heelbare mensen, aan wie het bij leven niet gelukt is om die heling tot stand te brengen. Nu kan dat met wat hulp van met bewaarengel, persoonlijke bemiddelaar en gezant bij de Allerhoogste. Deep down is er dan voor de onverbeterlijken nog een vagevuur en een hel, strafruimten voor hen die moeten branden, tijdelijk, of voor eeuwig verdoemd. De bouw van Sint Jans Kathedraal heeft rond 1480 het punt bereikt waarop de 16 luchtbogen kunnen worden aangebracht die de ijle hoge constructie voor instorten moet behoeden. Dat is het werk de Vlaamse bouwmeester Allart Duhamel, zo ongeveer de buurman van Hieronymus Bosch, en diens beeldhouwer Heijm, Hieronymus’ zwager. Beiden ook naaste verwanten van mijn voorouders. Zij vormen een gezworen driemanschap en zijn goede vrienden. Zij zijn het die de kathedrale luchtbogen doen bevolken met monsters, gedrochten, boze geesten en waanzinnigen. Wie van hen de aanstichter was voor deze scheppingen weet ik niet, maar zij konden voortborduren op een al bestaande Zuid- Nederlandse traditie In 1480 zijn we nog volop in een tijdsgewricht dat later tot de donkere Middeleeuwen wordt gerekend, een tijd waarin geen onderscheid te maken viel tussen geloof en bijgeloof, tussen natuurlijk, onnatuurlijk en bovennatuurlijk. Uiteindelijk, tussen de goeden en de kwaden. De mens is geneigd tot alle kwaad en vol zorgwekkende gedachten. Zozeer zelfs, dat vergeving een essentiële levensvoorwaarde is. Zonder barmhartigheid en vergeving is het al op deze wereld een hel. Er is ook geen strikte scheiding tussen leven en dood. Er zijn geen dode zielen. Zij bevinden zich niet in een totaal andere wereld. Zij maken deel uit van het bestaan. Zwermen om ons heen in de meest vreemde gedaanten. Zij ontberen de volmaaktheid der hemelen. En zo krijgen zij hun plekje op de 16 luchtbogen van de Sint Jan. Zesennegentig bizarre schepselen. Hoog boven alles uit. Er zijn maar enkele tijdgenoten die deze wereldvreemde, Unheimische types onder ogen krijgen. Maar er wordt vaak over gesproken. Iedereen weet dat ze er zijn. Zijn ze wel uit steen gehouwen of zijn ze echt? Komen zij tot leven als de duisternis valt? Op bezoek in onze slaap? Een van de diepe teleurstellingen in mijn jonge jaren is het moment waarop ik met mijn vader de talloze trappen en nauwe doorgangen van een Sint Jan heb bestegen, op weg naar de confrontatie met deze monsters en gedrochten. In jaren vijftig is er nog geen lift. De toren is ook niet publiek toegankelijk. Mijn vader weet raad. Toont zijn versleten Perskaart van de Provinciale Brabantse Courant, en verricht zo wonderen. Ergens in de crisisjaren was hij als werkloos ingenieur, de ingenieur op de tram, twee jaar werkzaam als stadsverslaggever. In tijdelijke dienst, dus. Ik kan zijn verhalen niet terugvinden. Maar clandestien gaat de Perskaart nog jaren mee. We kunnen opstijgen.

Boven zien we uit op de helft van de 96 figuren die de luchtbogen bevolken. Mijn vader maakt een foto, Agfa camera, met blaasbalg, op statief. Maar wat hier in feite wordt vastgelegd is hoe de Reformatie heeft huisgehouden nadat deze kathedraal rond 1620 werd onteigend. Voor de beeldenstormers is het bogenspel buiten vizier. In de eeuwen daarna is hier geen enkel onderhoud verricht. Beelden? Nee dat bleef ook na die Reformatie een brug te ver. En zeker zulke godslasterlijke en liederlijke beelden, die verdienden geen beter lot dan onopgemerkt door de tijd zelf te worden verkruimeld. Pas in de 19e eeuw, de Sint Jan nog steeds onder beheer van de gereformeerden, vindt een restauratie plaats. Dat neemt de vorm aan van een radicale vervalsing van de geschiedenis. Rauwe Roomse heilsgeschiedenis omgeschoold tot kinderlijk bijgeloof. Kneuterige tuinkabouters met verwijfde gezichtjes, een een braaf boezeroentje aan, soms uitgerust met een banjo of doedelzak, de plaats in van de gedrochten, monsters, mismaakten, en piemelmannetjes die geschiedenis maakten in de tijd van Jeroen Bosch en bouwmeester Allart Duhamel. De angels zijn eruit. De burger kan weer rustig slapen. Een geseculariseerde psychoanalyse staat op om hem daarbij te helpen. Er zijn daarboven op die hemelbogen nog een paar beschutte uithoeken waar de monsters van die oude wereld het hebben uitgehouden. De Aboriginals. Het contrast kan niet groter zijn. Misschien was het de teleurstelling van mijn vader die bij mij is blijven hangen. Misschien verklaart dat ook het genoegen waarmee ik naar die onderbuikbeelden van Loukie kijk. Naar hun inhoud zijn ze moeiteloos in te passen in een van de drieluiken van Jeroen Bosch. Bosch brengt de zeven hoofdzonden in beeld. Wat we van Loukie zien is woede, wraak en agressie; tegenover, zou ik zeggen, onkuisheid en wellust. Maar er zijn ook sporen van ander verontrustende gedragingen en emoties. Maar haar beelden zijn niet ontstaan als citaten uit het werk van Bosch. Het spoort met de beeldtaal van de psychoanalyse. De Zeven hoofdzonden van Jeroen Bosch en veel andere van zijn spraakmakende werken hebben ondanks de Reformatie het leven gered, voor een belangrijk deel omdat zij door de Spanjaarden en andere grootstedelijke buitenlanders werden aangekocht en mee naar huis genomen. Zoals de Tuin der Lusten waar zo’n honderd stellen bloteriken te paard of op meer bizarre viervoeters rondjes maken in hun paradijs. Het schilderstuk wordt tot op heden door Spaanse hovelingen geëerd als de ultieme ode aan de herenliefde. Daar wist men in het katholieke Spanje altijd al raad mee. De Zeven Hoofdzonden zijn in vergetelheid geraakt. Daarvoor hebben we de Zeven Depressies teruggekregen van de psychoanalytische therapie. Hanteerbaar en oplosbaar gemaakt en niet meer zo mateloos verontrustend.

In de prenten van Loukie zie ik de gewelddadigheid, kwaadaardigheid, en monsterlijkheid van het menselijk handelen terug waarvoor ook Jeroen Bosch onbeschroomd tekende. En bij beiden tref ik een humoristische ondertoon, de slinkse handomdraai van een Sukke-en-Wikke, de relativering, die je doet glimlachen of misschien zelfs schateren over al dat menselijk drama, dat menselijk tekort, die Commedia dell’Arte. Als het nog eens tot een uitvoering komt, heb ik een titel bij de hand. “Avonturen van vrouwtje Rozebuik.” Leiden, 2016.

MICHAEL VAN HOOGENHUYZE, EEN TERUG GEVONDEN SPEL, metamorfose in het werk van Loukie Hoos

Nieuwe dingen en producten

Kunstenaars maken dingen, dingen die nieuw zijn, er nog nooit zijn geweest, en nu ineens een plek in deze wereld krijgen. Om dat te kunnen moet een kunstenaar een aantal tegenstrijdige handelingen verrichten. Hij moet iets maken. Zodra hij daar een vaste procedure voor heeft is dat wat ie maakt niet nieuw meer en is het ook geen kunst, maar een product. Een product verwijst naar de fantasie die een verkoper in petto heeft voor de koper. Producten zijn algemene mededelingen, geen bekentenissen of persoonlijke verklaringen. Een ding daarentegen zwijgt en spreekt tegelijk, is er voor zichzelf, is daarmee uniek en zegt ons daardoor iets persoonlijks.

Kunst maken

Het maken van kunst moet als resultaat een moment in de geschiedenis opleveren, de geschiedenis van de kunst, en op zijn minst de geschiedenis van het oeuvre van de maker. Een kunstenaar volgt dus de procedure van het maken tot op een bepaalde hoogte, maar weet er zo'n draai aan te geven dat het een unieke gebeurtenis wordt. Het gaat duidelijk om handelingen die geen van buiten opgelegd doel mogen hebben. Ook zit er een element van herhaling in (procedure). Dit betekent dat het totale proces ook veel te maken heeft met spel.

Spel en spelbrekerij

Een kunstenaar maakt iets met de lichtheid van een spel, maar doordat een kunstenaar ook een spelbreker is, ontstaan er nieuwe regels, ontstaat er geschiedenis. De geschiedenis vernietigt voortdurend het spel van het maken. Maken, spel en geschiedenis moeten elkaar blijkbaar in evenwicht houden. Te veel 'maken' ontaardt in een automatisme, in betekenisloze bezigheid, te veel 'spel' mist elke inhoud, dwingt ook nauwelijks tot kwaliteit, Te veel geschiedenis creëert een privé document, eerlijk maar onbegrijpelijk en loodzwaar. De ontwikkeling van een kunstenaar is het zoeken naar dit evenwicht. Het lijkt er op dat die zoektocht een wachten op een soort spontane lichtheid zou moeten zijn. Maar dat is toch niet echt het geval. Een kunstenaar is per definitie iemand die geoefend heeft. Hij heeft geoefend, gestudeerd en onderzoek gedaan. Dat hij dan vervolgens de regel van het maken vernietigt door voor het spel van de geschiedenis te kiezen, kan alleen na lang studeren en oefenen.

Loukie Hoos weet in haar recente werk zo'n 'evenwichtstoestand' te bereiken.

'Evenwichtstoestand' tussen haakjes want die is niet statisch; je zou het een dynamisch evenwicht kunnen noemen. Loukie Hoos maakt rijen van tekeningen of schilderijen. Als in een spel, lijkt zo'n rij steeds bijna een echte 'reeks' of 'serie' te worden. Maar zodra blijkt dat er te gemakkelijk regels klakkeloos worden gevolgd, verandert ze van koers. Elk volgend werk komt voort uit vorig werk, zo lijkt het, maar een werk is zowel een reactie op het vorige werk als een voortzetting van het spel.

Er is dus niet één dwingende regel die aan het geheel ten grondslag ligt, een noemer waaronder alle werken uit een serie moeten vallen. En zo kun je niet echt spreken van een serie, en tegelijkertijd wel zien hoe een verzameling werken het resultaat is van een spel. Om zo steeds te kunnen wijzigen en improviseren is veel nodig. Loukie Hoos beschikt over een ruim arsenaal aan beeldende oplossingen. Dat arsenaal heeft ze zich verworven in haar jarenlange experimenten. Maar ook invloeden van buiten spelen een rol; door goed op de hoogte te zijn van de hedendaagse kunst en zich grondig te verdiepen in het werk van collega's, kan ze zeer uiteenlopende vormoplossingen in haar werk toepassen.
Het werk van Loukie Hoos is niet alleen een verzameling interessante kunstwerken, maar ook een stimulerende praktijk; het plezier spat ervan af, zo lijkt het. En dat plezier is te begrijpen. Kwaliteit in de kunst zou je kunnen omschrijven als het vermogen van de kunstenaar om een ontdekking aan het publiek mede te delen. De werkwijze van Loukie Hoos is er een waarin een keten van kleine en grote ontdekkingen mogelijk of zelfs noodzakelijk is. Er is dus ruim voldoende materiaal voor handen om het plezier van ontdekken uit te dragen.

Maar hoe ziet het werk er eigenlijk uit? De meeste werken hebben een betrekkelijk klein formaat. Er is een sterke voorkeur voor een vierkant, zodat de schilderijen iets kunnen hebben van een tegel. Het gevolg daarvan is dat een toeschouwer zich kan voorstellen dat de werken liggend op tafel zijn gemaakt in plaats van staand op een ezel. Je kunt ook de neiging krijgen schilderijen te draaien en vanuit een andere hoek te bekijken. Het zijn niet alleen beelden op een vlak deze schilderijen, maar ook dingen om te manipuleren.
Het formaat is belangrijk want Loukie Hoos gebruikt een tamelijk brede kwast. Binnen de schaal van de schilderijen is dat een behoorlijk groot gebaar. Met een kwaststreek kan een compleet motief aan de compositie worden toegevoegd. Zo zijn de schilderijen soms grove kalligrafieën. Er zijn geen ingevulde vlakken of toegevoegde kleine details. De beelden zijn samengesteld uit penseelstreken die hier en daar een voorstelling raken om vervolgens weer puur vorm te worden.

Het spel van Loukie Hoos is het beste te beschouwen als een strategie van beslissingen en gebaren. Er is gekozen voor een globale compositie, voor een formaat, een kijkrichting en een kleurcontrast, meestal opgebouwd uit tussentinten, zoals grijsgeel, groenachtige tinten of paars. In haar laatste werken is gekozen voor een gezichtspunt waarbij men van de grond naar boven kijkt. In het midden ontstaat zo een leeg centrum van bleke lucht. Maar in een volgend schilderij kan die lege plek een wolk of een licht volume worden; de restvorm wordt daar het thema van het schilderij.

In deze voortdurende metamorfose kunnen heel onverwachte sferen ontstaan. Sommige schilderijen herinneren aan de politieke beelden van Gerd Arntz of de visioenen van Constant. Maar even later is er een kleurkeuze en een stilering die doet denken aan de sprookjesachtige strips van Marten Toonder. De reeksen werken vormen wat dat betreft een soort conversatie waarbij ze elkaar over en weer relativeren, als ironische kleine gedichtjes uit de Romantiek.
Kijkend naar het werk van Loukie Hoos op een tentoonstelling komt de toeschouwer in een eigenaardige situatie. De werken lijken te passen in series, maar bij nadere beschouwing verschillen ze toch te veel. Je krijgt de neiging om een werk te kiezen, maar dat gaat niet omdat sommige werken de relativering van een ander werk nodig lijken te hebben. Op die manier is zo'n tentoonstelling de manifestatie van een fascinerend gesprek van Loukie Hoos met haar werk en van de werken met elkaar. Deze praktijk is na een lange zoektocht ontstaan. Vanuit onderzoek naar een eigen manier van werken, een persoonlijke thematiek of een stijl zijn er in de loop van de vorige jaren tal van beslissingen genomen. Er ontstonden interessante uitspraken en gezichtspunten, maar geen daarvan vormde een basis voor een vaste werkwijze. Nu heeft Loukie Hoos het onderzoek weten te combineren met een spel waarbij ze ook, en soms vooral, reageert op het materiaal dat ze zelf maakt in de vorm van vorige schilderijen en tekeningen. Daaruit groeit een praktijk, waarin afwisselend regels worden gevolgd of verworpen. Wat blijft is het plezier, een zekere ironie en ook onverwachte schoonheid, verfijnd en gelaagd ondanks de robuuste gebaren. Het plezier dat Loukie Hoos heeft gevonden in deze werkwijze, 'het teruggevonden spel', maakt dat ze kan genieten van een stroom van ontdekkingen, maar ook milder, misschien zelfs met plezier kan terugkijken op beslissingen die op het moment voorlopig minder gunstig lijken te zijn. Ook die momenten zijn ontdekkingen en bronnen van informatie voor een toekomstig handelen. Langzaamaan groeit haar werk toe naar een samengaan van ambachtelijkheid en onderzoek zodat het evenwicht tussen maken, spelen en geschiedenis bedrijven een solide basis kan krijgen: Een teruggevonden spel. Leiden, december 2013.

MvH teached Art-theory at the Royal Academy in the Hague.

contact

tel+31(0)715190178, +31 6 1661 9394 loukie@gmail.com